Zin in Soest - blogs

Pleisterplaats

Het is vakantietijd. Anders dan in andere jaren blijven de meeste mensen of thuis of kiezen voor een vakantie in Nederland vanwege de Coronacrisis.

Voor wie echt wil trekken, is een tentje eigenlijk het makkelijkst. Die zet je immers snel op en pak je ook weer snel in. Je trekt van pleisterplaats naar pleisterplaats. Maar stel je voor dat je jaar in jaar uit in een tent zou moeten leven. Zoals het volk Israël jaren lang in tenten heeft gewoond in de woestijn. Bij de Sinai kwam er zelfs een bijzondere tent bij: de tabernakel.

Het woord tabernakel komt van een woord waar ons woord taveerne, een pleisterplaats, van afkomt. Heel duidelijk is het een tent, een verplaatsbaar heiligdom. Zo bouwt het volk een heiligdom voor God. Als uitbeelding van wat zij in de hoge hebben gezien en ervaren: ‘God is in ons midden’. Een heiligdom om daarmee ook uit te spreken: we wonen niet ongekend en onbemind in een angstaanjagend en zwijgend heelal. Nee, boven, achter, onder deze wereld woont de Onzienlijke, en het is zijn schepping. Er zit een kloppend hart achter en in onze werkelijkheid.

Is dat een ervaring die wij kunnen delen? Beleven en ervaren wij ook dat kloppende hart achter ons snelle, soms chaotische, leven van alledag? Kunnen we nog iets van God op het spoor komen? Is er een plaats waar we met anderen een thuis kunnen vinden? Waar we samen een dak boven ons hoofd hebben, waar we bescherming ervaren?

We hebben behoefte aan een plek waar we op adem kunnen komen. Een plek waar datgene wat je als mens bezighoudt in alle vrijheid gezegd kan worden. Waar je kunt aanschuiven. Waar mensen elkaar aanspreken en niet toespreken. Een plek waar je je vrij kunt voelen, waar je mag zijn wie je bent. Een plek waar je kunt ontvangen en geven en waar je samen in actie en verzet kunt komen. Rust en actie. Zo mag de geloofsgemeenschap er voor mij uit zien: pleisterplaats

Zo mogen wij ook deel zijn van Gods volk onderweg. Een bonte gemeenschap, die trekt van pleisterplaats naar pleisterplaats, samen luisterend en zoekend naar Gods bedoeling met onze wereld. Een gemeente waar de woorden van de Schrift niet opgelegd worden, maar uitgeprobeerd door ze te verbinden met de actualiteit van het menselijk bestaan. Waar de dienst aan God, elkaar, anderen en de samenleving nauw met elkaar is verbonden. Een open huis waar iedereen welkom is.

Zoals het volk in de woestijn de tabernakel bouwde wordt ons gevraagd ook de handen uit de mouwen te steken en te bouwen aan zo’n huis, zo’n pleisterplaats.

Daar staan geen lange lege banken, maar ronde tafels. Aan die tafels wordt niet alleen de herinnering aan Jezus levend gehouden, maar ook indringend gediscussieerd, samen gegeten, gewerkt en gerust.

Liberaal christendom

De Britse godsdienstsociologe Linda Woodhead pleitte een tijd geleden in een interview in Trouw voor het serieus nemen van wat zij noemde ‘gewone gelovigen’. Zij vertelde dat journalisten vooral interesse hebben voor de extreme vormen van religie. Zo ontstaat het beeld dat échte religieuzen fundamentalistisch zijn. ‘Waarom respecteren we de grote groep van gematigde moslims, gemiddelde christenen en nieuwe spirituele gelovigen niet?’ Volgens Woodhead is vrijzinnige religie even echt en krachtig in het vormen van levens als de extremistische variant.

Boekomslag liberaar christendom Een aantal jaren geleden verscheen het boek ‘Liberaal christendom’. Heb boek bevat een aantal schetsen van een groep predikanten en theologen van de contouren van een liberale omgang met God, godsdienst en geloof. Ze schrijven: ‘In ons theologiseren zoeken we niet naar een objectieve, historische of metafysische waarheid die voor alle eeuwen geldig is’. Voor de schrijvers vormt dit het ‘vertrekpunt’. De schrijvers willen in de theologie zichzelf en de wereld proberen te verstaan (dat is wat anders dan verklaren!) vanuit de betrokkenheid op God. God, die zij als een dynamische werkelijkheid ervaren die inwerkt op deze wereld en ons leven. Over het hoe en waarom daarvan valt heel divers te spreken, maar zeker is dat God ons bestaan overstijgt en er tegelijk volop in aanwezig is. Jezus is van die God de belichaming.

Rick Benjamins, één van de redacteuren, laat de ontwikkelingen zien van de liberale theologie in het huidige theologische landschap. Liberale theologie is een label waarmee men aansluit bij het internationale (Angelsaksische) taalgebruik. Bij ons heet(te) dat vrijzinnigheid. Aandacht voor de ontwikkelingen in de wetenschap, ruimte voor de verklaring van de bijbel waarin de Schrift en traditie vrij en onafhankelijk worden uitgelegd, en het belang van de persoonlijke ervaring, zijn kenmerkende karakteristieken. Inmiddels leven we, legt Benjamins uit, in een post-christelijke, post-seculiere en post-theïstische tijd, die om een nieuwe verwoording van het christelijk-liberale perspectief vraagt. Mensen hebben afscheid genomen van een almachtige God die van buitenaf ingrijpt in de wereld, maar daarmee is God niet uit de wereld verdwenen. De zoektocht gaat voort, in bewustzijn van de beperktheid van onze Godsvoorstellingen. Tegelijk zijn wij ‘scheppers naast God’, en is God pas echt God ‘als wij hem God laten zijn’. Dit is liberale theologie, liberaal geloven als vertrouwen, niet als doctrine. De bijbel is hier niet hét woord van God, maar neerslag van verschillende interpretaties van de Eeuwige die zich aan ons manifesteert.

Het valt te waarderen dat de grote meerderheid van gewone gelovigen en gematigde religieuzen met dit boek een theologische stem hebben gekregen. Om te laten zien dat er meer is tussen orthodoxie en secularisme en dat het alleszins redelijk is om de christelijke traditie op eigentijdse wijze voort te zetten.

(Liberaal christendom - Ervaren, doen, denken Rick Benjamins, Jan Offringa en Wouter Slob derde druk, isbn: 978-94-92183-21-7, 240 pagina's)

God zien

Mozes  volgens Michelangelo
Paulus volgens Rembrandt van Rijn

God ervaren, steeds meer mensen hebben er moeite mee gekregen. Velen kennen God eigenlijk alleen nog maar uit de verhalen uit de kinderbijbel. En ook al leest men als volwassene zelf de bijbel, gebeurt dat meestal toch door de bril van de kinderbijbel. In sommige kinderbijbels zijn de mensen vaak heiliger dan in de bijbel. Abel, Noach, Abraham en Mozes worden voorgesteld als vrome mannen die elke dag dicht bij God leefden. Als kind kreeg je vanzelf de gedachte dat God alleen omgaat met supermensen. Je moet wel zo vroom zijn als Jozef die zelfs op de bodem van de put braaf in een hoekje kroop met de woorden: ‘ik zal heel tevreden zijn, ik zal stil zijn’. In sommige kinderbijbels lijkt het wel alsof God in elk noodsituatie ingrijpt als een God die nu eenmaal alles kan. Maar als je dan in je eigen leven meemaakt dat God blijkbaar niet ingrijpt? Steeds meer mensen komen tot de conclusie dat Hij er niet is. We ervaren God niet, dus Hij is er niet.

Maar zou de God die we niet ervaren, geen andere zijn dan de God van de bijbel. Om God op het spoor te komen, moeten we in de bijbel in de leer gaan. Omdat God zich bekend maakt in de geschiedenis, moeten wij achterom kijken. De Eeuwige zal steeds weer oplichten in de geschiedenis en herkend worden. Maar God is niet vast te leggen in een systeem. Hij is altijd weer de Verrassende, de Ongedachte. De Naam leer je alleen kennen onderweg.

In het boek Exodus lezen we dat ook Mozes moeite heeft met Gods onzienlijkheid. Ook hij vindt het maar moeilijk zich blindelings aan God toe te vertrouwen en vraagt: ‘Heer, laat mij toch uw heerlijkheid zien’. God antwoord: ‘Wie ik ten diepste ben, gaat aan je voorbij, geen mens immers zal mij zien en leven. Maar bij mij is een plaats waar je in een rotsholte kunt staan. Wanneer mijn heerlijkheid voorbijgaat, zal ik met mijn hand die rotsholte bedekken, totdat ik ben voorbijgegaan. Dan zal ik mijn hand wegnemen. Dan zul je mij van achteren zien. Mijn aangezicht zul je niet zien’.

Het onmiddellijke zicht op God is Mozes niet vergund. Ook Mozes heeft het in leven en sterven moeten doen met een geloof als ziende de onzienlijke. Ook al sprak hij met God als een vriend. Geen sterveling kan zeggen: ik heb God gezien. Pas achteraf, wanneer hij voorbijgegaan is, kun je zeggen: God was aanwezig, ik heb God ervaren op deze plaats. En wie God heeft gezien, wanneer hij voorbij gegaan is, heeft genoeg gezien

Engelen

Twee mensen staan voor een drukke verkeersweg. De ene schiet snel naar de overkant. De andere wacht een rustig moment af. Vraagt de ene: waar bleef je nou? Zegt de andere: Mijn engel¬bewaarder zei dat ik beter even kon wachten. O ja?, zei de andere, die van mij zei: opschieten het kan nog net! Is dat allemaal onzin? Of worden wij toch op één of andere manier vergezeld door hemelse geesten? Wat betekenen engelen voor ons? Kunnen wij ze tegen komen?

In de bijbel wordt de grote finale van onze geschiede¬nis beschreven als een indrukwekkende plechtigheid, waaraan een onafzienbare menigte van engelen en mensen deelneemt. Engelen vervullen een belangrijke rol in dit visioen. Zij worden de ene keer beschreven als hovelingen, de andere keer als soldaten die samen de legermacht van de hemel vormen. Uiteraard is het een mobiele brigade, voorzien van vleugels, want zij moeten overal tegelijk inzetbaar zijn.

In de bijbel komt de engel telkens zeggen wat God gaat doen. Zo zien we de engel optreden in de verhalen van de Bijbelschrijvers. Ze hebben hem nodig om in hun verhaal te laten horen hoe God op een bepaalde wijze met zijn volk omgaat. Ze laten daarom de engel nooit als zelfstandig wezen optreden. Hij bestaat al¬leen, voor zover hij een functie heeft in de wijze waarop de God van Israël iets aan zijn volk zegt of doet. Daarom spreken ze bijna nooit over een engel of engelen, maar over de engel - of liever - de bode van de Heer, want de mensen die in het verhaal een rol spelen, krijgen in de ont¬moeting met deze bode met God zelf te maken. De engel heeft in de bijbel de functie om een bepaalde wijze van omgaan van de Heer met zijn volk te karakteriseren. Hij bestaat bij wijze van spreken. Bij wijze van spreken over de God van Israël. De vertellers verhalen dat de God van Israël anders is; niet te plaatsen, te vangen en in onze schema's onder te brengen. Maar ze willen vertellen dat deze God hen ontmoet heeft en steeds opnieuw wil ontmoeten. In de rol van de engel zijn beide momenten helemaal aanwezig. De hemel is de verborgenheid, de aarde de openbaarheid, waarbij alles wat van Godswege gebeurt, gebeurt vanuit de hemel op aarde. Hierin zien we nu juist de engel, de bode, zijn rol spelen.

Vandaag de dag versie¬ren engelen onze plafonds: ornamenten in stuc¬werk. Zo mogen zij met mollige blote billetjes vrome spreuken omhoog houden of op een andere manier als lijstwerk fungeren. Dan is er helemaal niets meer over van die sterke figuren, die de kracht van Gods aanwezig¬heid mogen laten voelen.

Maar het moet ook gezegd worden dat engelen opnieuw in de belangstelling staan. Allerlei mensen verhalen van ontmoetin¬gen met engelen. Soms zijn het engelen die zich openbaren in menselij¬ke gedaan¬te. Soms zijn het alleen maar lichtende gestalten. Degenen die het hebben meegemaakt zijn er absoluut van over¬tuigd met een engel te maken hebben gehad. Of deze mensen werkelijk engelen hebben gezien is natuurlijk nooit na te gaan. Wat echter onomstote¬lijk vaststaat is, dat het voor de betrokkenen zelf ingrijpen¬de en onvergetelijke gebeurtenissen zijn geweest.

In de bijbel worden twee engelen met name genoemd: Michaël en Gabrië¬l. Michaël wordt gezien als de hoog¬ste, de aanvoerder van de hemelse legermacht. Gabriël is de naam van de engel die aan Maria de blijde boodschap brengt. Hij is de boodschapper van God die eenvoudi¬ge mensen vertelt dat God grote dingen wil doen.

Engelen: wezens die tussen God en de mensen in staan, die God dienen maar ook voor mensen opkomen, bemiddelaars. Beelden van met name genoemde engelen zijn voor velen van ons uit het zicht verdwenen, restanten uit een verouderd verleden. Ze zijn overbodig geworden, want in onze beleving is God van zijn voetstuk gekomen en naast de mensen komen staan. Er staat met andere woorden niets meer tussen God en de mensen in. Of zetten we daarmee de mens op een te hoog voetstuk?

Ik geloof en verwacht dat het hart van de hemel en het hart van de aarde elkaar raken, opdat wij mensen niet zo verloren staan. Zodat mensen voor wie deze boden van vrede levende werkelijkheid zijn er oriëntatiepunten voor hun leven in ontdekken. Zodat mensen die zich niets kunnen voorstellen bij deze beelden, andere leefbare oriëntatiepunten zouden kunnen vinden.

Engelen: gedaantes die uit het niets verschijnen en in het niets verdwijnen, onverklaarbare gebeurtenissen die de loop van je leven onmiskenbaar hebben veranderd. We hebben bovennatuurlijke krachten grotendeels uit onze belevingswereld verdrongen. Als er iets gebeurt wat we niet kunnen begrijpen, dan noemen we het een samenloop van omstandigheden. Prestaties, leuke dingen, zijn een verdienste van ons¬zelf. Mislukkingen, minder leuke dingen zijn een gevolg van stomme pech. We doen er alles aan om de greep op onze wereld niet te verliezen.

Ik geloof en verwacht dat het hart van de hemel en het hart van de aarde elkaar raken, opdat wij mensen niet zo verloren staan. Zodat mensen die zich bij alles richten op krachten buiten hen, zichzelf ook durven te vertrouwen. Zodat mensen die niets willen weten van dingen die onze waarneming te boven gaan, ook het onbekende leren te vertrouwen.

Engelen: mensen die er plotseling voor je blijken te zijn en die onverwacht een helpende hand toesteken die het onmogelijke mogelijk maken. We vinden het vaak moeilijk om onszelf te verlaten op andere mensen - ze zouden je kunnen kwetsen. Het is misschien nog moeilijker om toe te geven dat je anderen nodig hebt - dat betekent immers toegeven dat je het niet in je eentje kunt, een teken van zwakte. Niettemin is het goed om te weten dat je niet alleen op deze wereld bent.

Ik geloof en verwacht het hart van de hemel en het hart van de aarde elkaar raken, opdat wij mensen niet zo verloren staan. Zodat mensen die volledig durven te vertrouwen op anderen ook al zijn die onbekend mensen als engelen om zich heen weten. Zodat mensen die niet graag op anderen aangewezen zijn mensen als engelen om zich heen vinden.

Houd afstand!

Houd afstand! klinkt het overal. We zijn zorgvuldig in de omgang met elkaar vanwege het Coronavirus. Wie oud is of niet gezond is, het allermeest, want je hoort dan tot de risicogroepen. Het virus is als een sluipmoordenaar, niet zichtbaar, en het slaat zomaar toe. Voorlopig hebben we geen geneesmiddelen. Hooguit kunnen we het virus op afstand houden en indammen. Het confronteert ons ermee dat we niet over alles controle hebben in het leven. We mogen geen hand geven, niet omhelzen en geen zoen geven. Houd afstand! Op straat en in de winkel behoren we elkaar op tenminste anderhalve meter te omzeilen.

Houd afstand! Een groot deel van het sociale leven is daardoor dood gevallen. Hebben wij veerkracht in ons, vertrouwen, om een weerwoord te laten horen? Vertrouwen we erop dat we weer tot leven komen? Zullen we weer adem krijgen, komen we weer tot leven en zullen we beter dan tevoren beseffen dat we niet alles in de hand hebben, dat we soms afhankelijk zijn van iets dat groter is dan wijzelf?

Houd afstand
Wie gelooft ziet meer. Die ziet ook dingen die anderen niet willen of niet kunnen zien. Licht in het duister. Een nieuwe horizon. Het gaat dan niet om een zonniger toekomst, van, ach, het komt allemaal ooit wel weer goed. Maar een horizon van herstel. Herstel van moeder aarde waarboven de hemel weer helder wordt en stil, nu die niet langer verscheurd wordt door grote aantallen vliegtuigen. Herstel van medemenselijkheid, nu we meer dan ooit rekening moeten houden met elkaar en niet alleen aan onszelf kunnen denken.

Houd afstand is het parool. Maar juist veel mensen zijn elkaar in deze periode elkaar nabij gekomen. We hebben anderen geholpen, omdat dat dringend geboden was en je er niet aan voorbij kon gaan. Die buurman van 80, die je nauwelijks zag of sprak en waarvan je nu dacht: hij woont alleen, hij is ouder, hij behoort tot de risicogroep, hoe is het met hem? Zo hebben we allerlei mensen gebeld met de vraag: ‘Kan ik iets voor u doen? Boodschappen?’

Houd afstand. Zeggen we dat ook niet vaak tegen onszelf? Laat je niet teveel in met alle problemen en al het lijden in de wereld. Houd afstand. Denk aan jezelf. Het lijkt wel alsof Jezus dat ook doet wanneer zijn vriend Lazarus ziek is en zijn zus iemand naar Jezus stuurt om hem dat te vertellen. Kennelijk in de hoop en de verwachting dat hij snel zal komen en haar broer zal genezen. Maar Jezus zegt alleen maar "deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar op de eer van God" en blijft vervolgens twee dagen waar hij is. Eerst zal Lazarus sterven voordat Jezus hem weer terug in het leven brengt.

Het lijkt of onze samenleving ook eerst geraakt moest worden door het Coronavirus. En niet alleen dit virus, maar ook dat andere virus van de ongebreidelde economische groei en expansie. Het virus dat ons de afgelopen decennia koortsig de aarde heeft doen uitwonen, de schoonheid en de stilte heeft verdreven en ons veel te druk heeft doen zijn en ons vol onrust heeft gemaakt. Door Corona vielen we stil en kwam ons leven knarsend tot stilstand.

De Indiase schrijver Deepak Chopra schreef:

En de mensen bleven thuis
en ze gingen boeken lezen
en ze luisterden en namen hun rust
en maakten muziek,
ze schilderden
en tekenden en speelden spelletjes met hun kinderen
en kwamen tot een nieuwe leefstijl
en ze werden rustig.
Ze gingen op een diepere manier luisteren.
Sommigen gingen mediteren, anderen gingen bidden en weer anderen dansen.
Er waren er die hun eigen schaduwkanten gingen opmerken.
En de mensen begonnen op een andere manier te denken.
De mensheid heelde.
En nu de mensen stopten met alleen maar gedachteloos en harteloos te leven,
daar begon de aarde helen.
En toen het gevaar voorbij ging
en de mensen weer samenwerkten,
toen betreurden ze wat verloren was gegaan
en ze maakten nieuwe keuzes.

Gaat dit gebeuren na Corona?

Brief aan Paulus

Een brief! Soms overkomt het me. Als ik ’s middags de post van de vloer in de hal raap. Meestal zijn het drukwerken, mailingen, tijdschriften. Heel zelden zit er een persoonlijke brief tussen. Elkaar mailen en bellen gaat veel vlugger en is veel directer dan schrijven. Maar een mailtje per computer is ook veel vluchtiger. Echt er voor gaan zitten en nog een brief schrijven – wie doet dat nog?

Paulus deed dat wel. Hij had ook geen andere middelen ter beschikking. De enige manier om met elkaar contact te houden was het schrijven van een brief. Dat is een kunst op zich. De brieven van Paulus zijn soms behoorlijk lang. Hij had dus veel te zeggen. In ieder geval naar zijn eigen mening. Een mening die door velen gedeeld werd en wordt. Welke brieven immers is het beschoren opgenomen te worden in een zo belangrijk boek als de Bijbel? Zou Paulus ooit vermoed hebben dat zijn brieven 2000 jaar later nog gelezen, gespeld zouden worden? Dat mensen zich na zo'n lange tijd nog zouden opwinden over de vraag wat hij precies bedoelde? Dat naar aanleiding van zijn brie¬ven eeuwen¬lang gewichtig gediscussieerd zou worden over zijn `leer'?

Paulus volgens Rmbrandt van Rijn
Paulus volgens Rembrandt van Rijn
Ik denk dat Paulus, als hij zich dat bewust zou zijn geweest, anders, meer algemeen geschreven zou hebben. Immers, een belangrijk kenmerk van zijn brieven is dat ze in bepaalde situaties met bepaalde bedoelingen geschreven zijn. Hij schreef de meeste brieven aan gemeentes die door zijn verkondiging tot stand gekomen zijn. Aan mensen die pas christen geworden zijn. Je kunt je voor¬stellen dat die mensen vol vragen zitten. Paulus heeft ze veel verteld. Maar hoe meer je er mee bezig bent, hoe meer vragen je krijgt. Wat betekent dat geloof in Jezus Christus voor het leven van elke dag? Hoe kun je omgaan met allerlei heidense gewoontes uit de omgeving waarin je leeft? Bovendien zijn er heel veel andere soorten godsdienst. Kun je daar als christen wat mee? Of moet je daar niets mee te maken willen hebben? Soms schreven mensen van zo'n gemeente een brief aan Paulus. Ergens schrijft Paulus: 'En nu wat betreft de punten waarover jullie mij geschreven hebben'. Zijn brief is een antwoordbrief. Maar niet alleen dat. Kennelijk heeft de brenger van de brief aan Paulus verteld hoe het toeging in de gemeente van Korinthe. Met die verhalen is Paulus niet op alle punten even blij. Hij maakt van de gelegenheid gebruik om zijn zegje daarover te zeggen.
In Korinthe woont Paulus bij Priscilla en haar man Aquila, een joods echtpaar. Zij waren uit Italië gevlucht omdat Keizer Claudius had bevolen dat alle joden Rome moesten verlaten net als Paulus zijn ze leerbewerkers en tentenmakers. In mijn verbeelding reageert Priscilla op de brief van Paulus aan de gemeente in Korinthe:

Lieve Paul,
Het spijt me dat je zo lang niet van Aquila en mij gehoord hebt, maar we hebben het erg druk gehad in de zaak. We hebben een order voor drie nieuwe fami¬lietenten en de reparaties gaan ook gewoon door aan het begin van het seizoen.

Bovendien had ik eerlijk gezegd nogal wat moeite met sommige stukken uit je laatste brief. Er staan schit¬terende dingen in, echt waar, maar soms sla je ineens door naar gezeur. Sorry, maar ik kan niets anders zeggen. Dan schrijf je bijvoorbeeld dat mannen geen lang haar mogen dragen en vrouwen geen kort haar! Dat maken we toevallig zelf wel uit.

Of nog erger, je schrijft dat 'de vrouw moet zwijgen in de gemeente'. Toen ik dat voorlas keek Aquila me plagerig aan met een gezicht van nou-hoor-je-het-ook-¬eens-van-een-ander. 'Trek het je niet aan', zei hij. 'Zo zit die man nu eenmaal in elkaar.' Verder is hij nog steeds erg op je gesteld, hoor, en ik houd ook heus van je. Juist daarom zit het mij niet lekker wat je geschreven hebt. Je moet niet vergeten dat je brieven hier gelezen worden alsof ze in de bijbel zelf staan Ze zijn in staat om op één zo' n zin hele theorieën te bouwen over de Vrouw in het Ambt en zo. Je kunt schrijven wat je wilt, ik ben dit keer zo vrij om mij niets van je aan te trekken en dat heb je aan jezelf te danken, want jij spreekt jezelf tegen.

Ik weet het nog zo goed, de eerste keer dat ik je zag. Het was bij ons achter in de zaak met een handjevol mensen. Ik zal het nooit vergeten. Je had het erover dat het sinds Jezus niet meer uit¬maakt of je nu baas of werknemer, jood of niet-jood, man of vrouw bent. In God en voor God zijn we alle¬maal gelijk. Waar of niet? Dat heb je letterlijk gezegd. Dat sloeg toen in als een bom. Rijke piefen en hoge heren voelden zich er ongemakkelijk bij en vrome Schriftgeleerden waren helemaal verontwaardigd. Maar voor mij was het een openbaring, een steekvlam. Ik ben maar gewoon de vrouw van een eenvoudige mid¬denstander. Ik ken mijn plaats, ik moet op mijn woor¬den passen en tegenover klanten altijd beleefd blijven. Ik wil je onthouden zoals ik je heb leren kennen, als een hartstochtelijk, warmbloedig mens.

Want je kan nog zulke moeilijke dingen schrijven, je kan nog zo knap preken, als je geen liefde hebt, klink je als koperen toeters en bellen.

Je kan nog zo indrukwekkend vroom en profetisch zijn, je kan het nog zo mooi zeggen, zonder liefde ben je nergens. Liefde geeft vertrouwen, liefde is eerlijk, liefde geeft je onderdak, liefde is aardig. Ik weet dat je dat weet, want ik heb het van jou. Schrijf daar dan over en niet over al die andere dingen.

Veel liefs, ook van Aquila
Priscilla